Joodse cultuur in het Hebreeuws

Joods Leven in Europa buiten de grote steden

Logo EU-kaderprogramma voor cultuur "Cultuur 2000"
Beeldmerk van het Landschaftsverbandes Westfalen-Lippe
Westfalen
Groningen
Lublin

contact contact |  tijdbalk tijdbalk |  woordenlijst woordenlijst |  literatuur literatuur |  links links | Filmdocumenten van het project film | Geluidsdocumenten van het projectgeluid |  help help |  Duitse pagina D  |  Nederlandse pagina NL  |  Poolse pagina PL  | 

  U bent hier: Home


Joden in Groningen


Het stadje Appingedam kende een vrijwel ononderbroken vestiging van joden sinds 1563.

Verklaring van goed gedrag voor Joest Nuesken en zijn vrouw Rachel, 1563 Verklaring van goed gedrag van de abdis Christina van Velbrughen van het stift Sint Quirin in Neuss voor Joest Nuesken en zijn vrouw Rachel, 1563.
(RHC GrA Tg 136 invnr. 530)
In dat jaar kreeg de in Praag geboren Muesken en zijn familie van het bestuur van Appingedam toestemming om voor een periode van zes jaar in de stad te wonen en er een bank van lening te houden. In Appingedam ontstond zelfs een kleine Joodse Gemeente.

Gedurende vrijwel de hele 17e eeuw trachtte de hervormde kerk, die in de provincie Groningen een sterke anti-joodse houding vertoonde, haar invloed bij de wereldlijke autoriteiten aan te wenden om de vestiging van joden tegen te gaan. Zij vond hiervoor echter geen gehoor.

Aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw vestigden zich in het zuidoosten van de provincie (de VeenkoloniŽn) veel joden. Er ontstonden talrijke Joodse Gemeenten. Ook in de stad Groningen vestigden zich allengs weer joden. Maar na beschuldigingen van heling werden in 1711 de joden voor eeuwig uit de stad en het omringende platteland verbannen. Dit verbod werd niet streng doorgevoerd. In 1731 pachtte de Amsterdamse jood Mozes Goldsmid de bank van lening in de stad Groningen. Zijn schoonzoons zouden de eigenlijke stichters zijn van de kille Groningen.

Joden mochten zich niet vrij vestigen. Zij moesten hiervoor toestemming vragen aan de bevoegde autoriteiten. Overigens golden voor niet-joden dezelfde procedures en regels. Wat betreft de uitoefening van een beroep golden voor joden wel speciale regels. Op het platteland was hun alleen het slachten, de verkoop van vlees en het doen van koopmanschap toegestaan. In de stad mochten ze zich alleen bezig houden met ongeregelde handel.
Aanwijzingen voor het gebruik van de uit het Hebreeuws in het Nederlands vertaalde bijbel, 1809. Aanwijzingen voor de joodse gemeenten in Nederland hoe zij uit het Hebreeuws in het Nederlands vertaalde bijbel moeten gebruiken, 1809.
(RHC GrA VJS)

Emancipatie en integratie


In 1796 kwam er met de afkondiging van de burgerlijke gelijkstelling een eind aan de civielrechtelijke uitzonderingspositie van de joden. Voor de wet waren joden en niet-joden nu gelijk. In 1808 riep koning Lodewijk Napoleon van Holland het zogenaamde Opperconsistorie in het leven. Dit orgaan centraal het bestuur over alle Joodse Gemeenten. De autonomie van de Joodse Gemeenten behoorde daarmee tot het verleden.

Het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1814 veranderde niets in de positie van de joden. Sterker nog, koning Willem I en zijn adviseurs breidden het emancipatiebeleid nog verder uit. In de organisatie van de joden veranderde eveneens weinig. De plaats van het Opperconsistorie werd ingenomen door de Hoofdcommissie tot de Zaken der Israeliten. De Hoofdcommissie was van oordeel dat beheersing van de Nederlandse taal van cruciaal belang was voor een verdergaande integratie. Onderwijzers op joodse scholen, die voorheen meestal uit Polen afkomstig waren en uitsluitend het Jiddisch beheersten, dienden les te geven in het Nederlands. Ook bestuurders en andere functionarissen dienden het Nederlands te beheersen.
Schilderij van een joodse vrouw in Groninger klederdracht. Emancipatie leidde uiteindelijk tot aanpassing zoals te zien aan de Groninger klederdracht van de joodse Vogelina Pinto.
(Particuliere collectie, Den Haag)

Spanningen tussen hervormers en orthodoxie


Het streven naar gelijkheid en aanpassing ging gepaard met nieuwe opvattingen betreffende godsdienstige zaken. De joden in Groningen stond sterk onder invloed van het zich vernieuwende Duitse Jodendom, waar de reformbeweging steeds meer van zijn idealen kon verwezenlijken. Het bestuur van de joodse gemeente voerde in 1848 het koorgezang tijdens de erediensten. Voor het orthodoxe deel van de gemeente was dit aanleiding zich af te scheiden. En in 1852 richtten zij een nieuwe joodse gemeente op onder de naam "Tesjoeat Jisrael" (Redding van IsraŽl).

Ook elders in de provincie leidden dergelijke religieuze vernieuwingen tot grote spanningen en afscheiding van orthodoxe groeperingen.

De trek naar de stad


Begin 20ste eeuw was de Joodse Gemeente van Groningen uitgegroeid tot een gemeenschap van 3000 zielen. Dat kwam vooral vestiging uit de omliggende plattelandsgemeenten. Sommige plattelandsgemeenten hielden op te bestaan terwijl andere maar met moeite allerlei voorzieningen in stand konden houden. In de stad Groningen bouwden de joden daarentegen een imposante synagoge.
Foto's van uit Duitsland gevluchte joden Foto's van uit Duitsland gevluchte joden: v.l.n.r
1e rij: Hulda Lijon-Pinkus; Lea Kirschen-Schönfeld; Frieda Paula Rettkowski-Grossman.
2e rij: Martha Brügge-Badewitz; onbekend; Gaje Schöps-Spruch.
(RHC GrA Tg 368 invnr. 22)

Bezetting en deportatie


Vanaf 1933 wierpen de steeds maar toenemende macht van Nazi-Duitsland en het steeds sterker wordende antisemitisme hun schaduwen vooruit. De inval van de Nazielegers op 10 mei 1940 was een grote schok. Langzaam, stapje voor stapje, kondigden de bezetters allerlei maatregelen aan, die het dagelijkse leven van de joden steeds meer beperkten en ze buitensloten.

Vanaf de zomer van 1942 tot aan het eind van het jaar vonden de meeste deportaties van de joden naar het Durchgangslager Westerbork plaats. Vanaf hier werden de joden in een wekelijkse cyclus naar Auschwitz en Sobibor gedeporteerd en vermoord.

Van alle weggevoerde joden in de provincie Groningen overleefde slechts een zeer gering percentage de oorlog. Hun aantal was zo klein geworden, dat met uitzondering van de stad Groningen, vrijwel nergens meer een Joodse Gemeente bestond. De joodse gemeenschap van de stad was zo klein geworden dat de in 1906 geopende synagoge in 1952 werd verkocht.

Verhalen uit de Regio


Titelblad van het in 1804 gepubliceerde boek van B. Becker over roversbenden

De in 1725 in Hamburg geboren schrijver en pedagoog Naphtaly Herz Wesseley

Levy Ali Cohen, 1862

Schilderij van Jozef Israels

Verbanning van de joden uit Praag in 1745

Jozef Meijer

De winkel van Hildesheim

Aquarel voorstellende een uitdragerij, circa 1888

Het geboortehuis van Julia Culp

Bekendmaking voor een vergadering van de Nederlandse Zionistenbond in het dorp Stadskanaal

De meisjesafdeling van de gymnastiekvereniging "Atilla" in actie, 1928

Clara Asscher-Pinkhof

De Groningse synagoge

Verbodsbord voor joden om een park te betreden